Filmmaker Joost Rekveld, te gast in Lumen op 27 mei, stelde een uniek programma samen van Nederlandse abstracte films van 1928 tot nu. In deze films staan licht, kleur, vorm, ritme en ontwikkeling centraal.
Toen UIT HET RIJK DER KRISTALLEN van J.C. Mol (1891-1954), pionier van de Nederlandse wetenschappelijke film, in 1928 werd vertoond, waren niet alleen wetenschappers verrukt. Chemische stoffen bleken, talloze malen uitvergroot, bij kristallisatie de wonderlijkste abstracte patronen te vertonen. Critici en cineasten rond de Filmliga omhelsden de film als een voorbeeld van het ‘absolute’ filmen waarin het niet draait om verhalende of documentaire kwaliteiten, maar om de abstracte elementen van de filmtaal zelf. Tachtig jaar later creëert filmmaker Joost Rekveld een wereld van virtuele kristallen in #37. Beide films maken deel uit van een door Rekveld voor Filmhuis Lumen samengesteld programma, gewijd aan de abstracte film.
De droom van een muziek-voor-het-oog, is zo oud als de mensheid. Visionairen en uitvinders droomden over instrumenten die kleuren en beelden konden voortbrengen, maar pas sinds de geboorte van de film ligt componeren met beweging, vorm, lijn, kleur, licht en ritme binnen handbereik. En hoewel cinema vooral gebruikt wordt om de werkelijkheid vast te leggen, zijn er altijd kunstenaars en filmmakers geweest die zich op de voorstellingsloze mogelijkheden van film hebben gericht. Van een ‘school’ is geen sprake; een abstracte filmmaker is volgens Rekveld “een einzelgänger die zelf de middelen zoekt om zijn fascinatie op film over te kunnen dragen”.
In GYROMORPHOSIS versterkt Hy Hirsh de kinetische eigenschappen van een sculptuur van Constant Nieuwenhuys. Gekleurd licht en dubbelopnames scheppen een gevoel van versnelling en gewichtloosheid.
Jacques Verbeek en Karin Wiertz werken met traditionele animatietechnieken. KEEP ON TURNING, een van hun meest geometrische films, schept een duizelingwekkende sensatie van diepte door de manipulatie van een raster van kubussen.
Bart Vegter maakt zijn experimentele animaties de laatste tijd met eigen computerprogramma’s. In DE TIJD wordt een monochroom plat beeld het toneel van veranderingen. Lijnen en kegelvormen smelten en stollen onder invloed van kleur. In Vegters IN NEED OF SPACE draait een kubus ter grootte van het filmframe om zijn as.
Joost Rekveld raakte gefascineerd door een computerbeeld van een kristalstructuur. Met zijn software schiep hij vervolgens een ‘kunstmatige fysica’, een gesimuleerde wereld met variabele dimensies waarin deeltjes zich groeperen in wisselende, symmetrische constellaties. Het licht dat daarop weerkaatst, breekt en uitwaaiert, is wat we zien in #37, Rekvelds meest recente film.
Nieuw binnen de abstracte film is live cinema, waarbij kunstenaars met zelfgeschreven software ter plekke geluid en beeld genereren. Een exponent daarvan is Telcosystems. Hun Sessions_03_rev03 – SH is een compilatie van footage gemaakt tijdens live performances.
Bart Vegter: IN NEED OF SPACE 1982 16mm 5min. Bart Vegter is bij de voorstelling aanwezig
Jacques Verbeek, Karin Wiertz: KEEP ON TURNING, 1974 16mm 3min
Hy Hirsh: GYROMORPHOSIS, 1957 16mm 7min
Telcosystems: Sessions_03_rev03 – SH, 2006 mini-DV video 4min
Bart Vegter: DE TIJD, 2008 35mm 9min
J.C. Mol: UIT HET RIJK DER KRISTALLEN, 1928 35mm z/w 13min
Joost Rekveld: #37, 2009 35mmscope kleur 31min
Filmer en beeldend kunstenaar Joost Rekveld (1970) maakt al sinds 1991 abstracte films en kinetische installaties. Voor zijn experimenten op het snijvlak van kunst en wetenschap ontwikkelt hij zelf optische en mechanische installaties. Meestal vermijdt hij het gebruik van lenzen en camera’s. Zelf noemt Rekveld zijn werk ‘visuele muziek’ en ‘bewegend licht’. Rekveld is hoofd van de Interfaculteit ArtScience van het Koninklijk Conservatorium en de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag.
„Ik kom vaak mensen tegen die zeggen: ‘ik maak óók abstracte films’, en dan bedoelen ze films zonder verhaal, waarin nog kopjes of theepotten of mensen voorkomen. Abstracte films zijn voor mij films die eruitzien als een abstract schilderij, maar dan in beweging, en die ook vaak links hebben met beeldende kunst of met muziek.” In het werk van filmmaker Joost Rekveld draait alles om licht, kleur en beweging. Zijn films zijn abstracte bespiegelingen in een meeslepende visuele vorm. Voor Filmhuis Lumen maakte hij een selectie uit tachtig jaar Nederlandse abstracte (animatie)films. We spraken met hem over Cinemascope en het nut van een soundtrack, het ervaarbaar maken van quantumfysica en over #37, zijn meest recente film.
“Toen ik studeerde aan de afdeling Beeld en Geluid van de kunstacademie in Den Haag, had ik als bijvak compositie. Aanvankelijk wilde ik elektronische muziek maken bij mijn films. Maar de hele dag in een geluidsstudio zitten, daar werd ik niet gelukkig van. Toch kon ik wat ik leerde toepassen. Mijn eerste films waren stil; de compositie zat in het beeld. Ik maakte ‘partituren’ voor alle parameters van een opstelling: focus, camerapositie, beweging, op stápels millimeterpapier. Vanaf Marey <-> Moiré, mijn eerste film op 35mm, ben ik gaan samenwerken met componisten. Bij Cinemascope heb je namelijk echt geluid nodig om het oog te leiden, omdat er zoveel te zien is in het beeld. Zonder soundtrack duurt het heel lang voordat je de patronen ziet, met het juiste geluid erbij zie je ze meteen. Eerst maakte ik films met optische of mechanische installaties die ik als een animatiefilmer opnam. Sinds Marey <-> Moiré (1999) worden die installaties aangestuurd door een computer. De compositie zit nu voor een groot deel in de software, die ik zelf schrijf.
Mondriaan maakte abstracte schilderijen, maar daar zat voor hem een hele wereld achter. Het kwam er op neer dat hij niet probeerde de buitenkant van dingen te schilderen, maar een soort essentie. Ik heb een vergelijkbare drijfveer. Mijn films gaan over de werkelijkheid, maar niet zoals je dat normaal doet, met een camera die volgens klassieke schilderkunstige wetten een beeld maakt. In die zin lijkt wat ik doe op ontwikkelingen in de moderne kunst in de 20e eeuw: het is een zoeken naar een andere manier om dingen weer te geven, dingen die misschien wezenlijker zijn of een andere blik geven.
Ik wilde van #37 een film maken waarin je het aantal dimensies gewoon kon instellen, van twee naar wat je maar wilt. Puur wiskundig maakt het niet uit. Het perspectief is zeshonderd jaar geleden uitgevonden in het Westen. Er zijn miljoenen jaren geweest zonder perspectief. Ook na 1400 en in grote delen van de wereld zijn er fantastische dingen gemaakt zonder dat het een rol speelde. In allerlei apparaten, overal is perspectief heel erg aanwezig. Ik ben er niet op tegen, ik ben geen kruisvaarder, maar ik vind het interessant om na te denken over alternatieven.
Ik begon met #37 toen ik een intrigerend plaatje zag, gemaakt door een kristallografe. Het bleek een computersimulatie te zijn van wat er gebeurt als je röntgenstraling door een bepaald soort materie laat schijnen. Ik had al eens een film gemaakt over licht dat door heel kleine gaatjes sijpelt. Dat sloot dus erg aan. Ik ging uitzoeken hoe dat plaatje gemaakt was, wat voor algoritmen erachter zaten en hoe dat dan moest met software. En ik las alles over kristallen. Heel lang werden die gezien als iets wat een tussenpositie inneemt tussen het rijk van dode dingen en het rijk van levende dingen: kristallen lijken op bloemetjes, ze groeien en ze hebben aders.
In de wereld van simulatie en software zie je nu ontwikkelingen als artificial life en artificial chemistry. Daarbij vragen mensen zich af of je bij iets ‘doods’ als een computerprogramma, maar dat dingen doet die wij associëren met levende wezens, niet toch kunt spreken van een levensvorm. De film opent met een citaat uit de derde eeuw over stenen die zich voortplanten. Dat is een mooie metafoor voor het samenkomen van oude theorieën en nieuwe dingen als silicium. Voor mij gaat #37 daar ook over.
Om #37 te realiseren heb ik een simulatie gemaakt van een kristallisatieproces van partikeltjes die zich organiseren. Je ziet geen herkenbare kristallen, maar het doet er wel erg aan denken. Ik hoop dat de toeschouwer een soort ervaring krijgen van iets dat groeit, van iets dat een eigen verloop heeft, van een orde die ontstaat uit chaos.
Aan #37 ben ik acht jaar voor de première begonnen. Voor mij is dat voorwerk, dat langetermijn-onderzoek heel belangrijk. Ik ben nu bezig met iets waarvan ik niet weet of het wel een film wordt. Ik vind het leuk om al werkende verder te denken, te experimenteren en nieuwe dingen te ontdekken. Dat is voor mij de lol van het filmmaken.
Een deel van mijn werk komt voort uit mijn interesse voor de techniek achter film. Technologie wordt vaak gezien als iets dat buiten de mens staat, alsof er een UFO is geland, iets vreemds waar we eigenlijk niets mee te maken hebben, zeker niet als het misgaat. Terwijl er eigenlijk niets menselijkers is dan techniek. Dat is nou echt van ons, dat hebben we zelf bedacht. Ook dat is een diepe drijfveer achter mijn films: ik vind het belangrijk dat je techniek ook op een andere manier dan alleen maar in apparaten en wetenschappelijke theorieën kunt ervaren.
Een tijdje geleden was ik op Sonic Acts bij een lezing van Roger Malina, een astronoom die zich bezighoudt met allerlei dwarsverbanden tussen wetenschap en kunst. Hij merkte op dat het plaatje dat wij in ons hoofd hebben van de werkelijkheid echt totaal anders is dan het uitermate psychedelische beeld dat de wetenschap ervan heeft. Er is een hele wereld om ons heen die we niet kunnen waarnemen, waar we eigenlijk niet over kunnen nadenken, die alleen voor specialisten begrijpelijk is. De laatste jaren ben ik erg geïnspireerd door dat soort ideeën. Juist omdat het perspectief een constructie is, kun je denken: waarom zou je niet gewoon ook ándere dingen bedenken die misschien een beter zicht geven op bijvoorbeeld quantumfysica. We kunnen ons dat helemaal niet voorstellen, omdat het niet lijkt op de wereld die we kennen van biljartballen en lenzen en plaatjes. Het lijkt me interessant om iets te maken dat dat juist ervaarbaar maakt, de gekte ervan.
In de jaren vijftig en zestig had je de materieschilders. Hun werk ging over verf op canvas. Dat was het dan ook: heel veel verf op een canvas. In die tijd kwam de ‘structurele film’ op. Ook daarin draaide het om het uitbannen van elke illusie, over het ervaarbaar maken van wat er is: film die door een projector gaat. Ooit was er de leuze ‘In de bioscoop vergeet je dat het film is’. Ik zie niet in waarom dat zou moeten. Met mijn films probeer ik niet mensen de ultieme trip te bezorgen. Het is voor mij juist belangrijk dat je beseft dat je naar licht op een scherm zit te kijken en dat dat heel mooi kan zijn.”
©2006 - 2009 Stichting Filmhuis Delft